Het betreffende bedrijf heeft al verschillende reorganisaties achter de rug, maar de resultaten blijven slecht. Daarom vat de ondernemer het plan op voor een bezuiniging op de leaseauto’s. Vanaf schaal 9 heeft elke werknemer daar recht op, zo is in het bedrijf geregeld. De ondernemer wil die grens gaan verhogen naar schaal 11. Het gevolg daarvan zou zijn dat 150 werknemers hun recht op een auto van de zaak verliezen. De betreffende regeling bepaalt dat de or hierover adviesrecht heeft, en daaraan houdt de ondernemer zich. Dat advies valt tot twee keer toe negatief uit. Een van de redenen is dat de or de compensatieregeling te slecht vindt. De ondernemer zet daarop toch door. Hij beroept zich op het eenzijdige wijzigingsbeding dat in individuele arbeidsovereenkomsten is opgenomen.
Het is niet de or maar een vakbond die vervolgens naar de kantonrechter stapt en naleving van de oude regeling eist.
De kantonrechter stelt eerst vast dat de betreffende werknemers hun ‘auto van de zaak’ als een arbeidsvoorwaarde mogen zien. De volgende vraag is dan of zo’n voorwaarde eenzijdig mag worden gewijzigd. Het beding waarop de werkgever zich beroept, geeft hem inderdaad dat recht, mits er sprake is van een ‘zwaarwichtige reden’. Die is er, vindt de kantonrechter. De vakorganisaties bestrijden niet dat het financieel niet goed gaat, en wat meer zegt: uit het advies van de or blijkt dat die de slechte situatie onderschrijft. Het advies was wel negatief, maar dat was vooral vanwege de overgangsregeling. Met de aangevoerde argumenten was de or het wel eens.
Al met al vindt de kantonrechter dat er sprake is van een reden die zwaarwegend genoeg is om de ondernemer toestemming te geven voor het doorvoeren van zijn eenzijdige wijziging. Wel moet hij zorgen dat die in elk individueel geval ‘redelijk’ uitpakt.
Rechtbank Breda (kantonrechter), 10 oktober 2007
Auteur: Bernard van Lammeren












